Waterberging

Waterberging betekent het vasthouden van water. In de praktijk is waterberging dus het bergen en opslaan van overtollig regen-, oppervlakte- en grondwater. Waterberging kan plaatsvinden in de bodem en is afhankelijk van het zogenaamde waterbergend vermogen van de bodem. De hoeveelheid ruimte tussen de bodemdeeltjes en de onderlinge verbindingen tussen die ruimtes (poriën) is daarbij bepalend. Waterberging kan ook plaatsvinden bovenop de bodem. Door laagtes te benutten of te graven of door natuurvriendelijke (flauw hellende) oevers aan te leggen wordt ruimte geboden om tijdelijk water te bergen.

Een waterbergende bodem heeft het vermogen en de mogelijkheden om water onder het maaiveld te bergen. Daarbij wordt gebruikt gemaakt van de sponswerking van de bodem. Water moet hiervoor kunnen infiltreren in de bodem. De hoeveelheid ruimte tussen de bodemdeeltjes en de mate van onderlinge verbindingen tussen die ruimtes (poriën), het organisch stofgehalte maar ook de grondwaterstand zijn bepalend voor de hoeveelheid water dat in de bodem geborgen kan worden. Waterberging is dus grondsoort afhankelijk. Het organische materiaal in de bodem houdt vocht beter vast en vergroot het waterbergende vermogen. Een zandige bodem kan minder water bergen dan een bodem met meer klei en organisch materiaal. Een veenbodem is het voorbeeld van een watervasthoudende bodem. Echter, deze bodems zitten al vol water. Daardoor zijn ze niet geschikt voor extra waterberging.

Ondoorlatende lagen in de ondergrond, zoals dichte kleilagen, maken de afvoer van water moeilijk. Kwelgebieden, gebieden waar de grondwaterstroming opwaarts gericht is, zijn ongeschikt voor waterberging. Daarnaast geldt dat hoe hoger de grondwaterstand, hoe minder 'ruimte' er is voor waterberging in de bodem. Door middel van allerlei technische voorzieningen kan ook kunstmatige waterberging in de bodem worden toegepast. Een voorbeeld is de waterberging in kelders onder tuinbouwkassen

Waterberging in de Zeeuwse bodem

Het vermogen van de bodem om water te bergen kan door de mens worden veranderd. Ontwatering van veen zorgt voor oxidatie van het bodemmateriaal en verandert de sponswerking. Te droog veen (maar ook klei) kan geen vocht meer opnemen, waardoor het zelfs waterafstotend kan worden. Verdichting door berijden, betreding en bouwactiviteiten verminderen de infiltratiemogelijkheden en daarmee de sponsfunctie van de bodem. De wijze waarop de bodem wordt gebruik is dus mede bepalend voor de mate waarin een bodem een waterbergende functie kan vervullen.

In steden en grote kernen is de bodem al lange tijd voor een groot deel afgedekt door bebouwing, tegels, beton en asfalt. Het gevolg is dat deze bodems dikwijls sterk zijn verdicht door de druk van bovenaf en uitgedroogd zijn geraakt omdat het regenwater de bodem slecht kan bereiken. Het regenwater wordt over het algemeen via afvoersystemen snel afgevoerd. Hierdoor kan de bodem niet altijd meer zijn maximale waterbergende functie vervullen. Dit terwijl er door de klimaatsverandering een groeiende behoefte ontstaat aan waterberging in de steden en grotere kernen.

Voordelen van waterberging

Een waterbergende bodem biedt veel goeds aan het landgebruik. In droge perioden is langer vocht beschikbaar voor planten en bodemleven. In natte perioden kan een onverzadigde bodem (een bodem die niet vol met water zit) meer water opnemen, wat overstromingen en wateroverlast helpt tegen te gaan. Door slim ruimtelijke functies, bodemgebruik en de inrichting van een gebied af te stemmen op het waterbergend vermogen van de bodem is wateroverlast te beperken, wordt het natuurlijk (bodem)leven bevorderd en wordt verdroging van natuurgebieden tegen gegaan.

Ambities en doelen

Bij het nemen van maatregelen om het watersysteem op orde te krijgen wordt, in het verlengde van het Nationaal Bestuursakkoord Water , uitgegaan van het principe van vasthouden, bergen en afvoeren van overtollig water.
In het Zeeuwse natuurbeleid ligt de nadruk op realisatie en instandhouding van natte natuur. Hierdoor kunnen de Zeeuwse natuurgebieden een belangrijke bijdrage leveren aan de bestrijding van wateroverlast. In het Provinciaal Omgevingsplan 2006-2012 is daarom de doelstelling opgenomen om passend binnen de natuurdoelen zoveel mogelijk waterbergingsmogelijkheden binnen natuurgebieden te realiseren.

Tot 2015 zal in Zeeland 550 hectare grond extra beschikbaar worden gesteld voor water, door bijvoorbeeld sloten te verbreden (Bestuursakkoord Water 'Samen aan de slag met water' augustus 2007). Omdat het intensiever zal gaan regenen, kunnen sloten minder makkelijk de hoeveelheden water aan. Door die te verbreden, kunnen ze meer water opvangen en door extra stuwen te plaatsen, kan het water ook beter worden vastgehouden voor het geval er drogere perioden komen.

Door de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (september 2014) uit het Deltaprogramma zullen de Zeeuwse overheden aan de slag moeten gaan met het klimaatrobuust maken Zeeland. Waterberging is een belangrijk thema daarbij.

Beleid in praktijk

Aanleg natte as gekoppeld aan waterberging

Als onderdeel van een landelijk netwerk worden langs de oostkant van Zeeland en dwars door Zeeuws-Vlaanderen (van Zijpe tot Zwin) bestaande wateren en kreekresten uitgebouwd tot een aaneengesloten natte verbindingszone, de zogenaamde "Natte As". Hierdoor ontstaat een robuust leefgebied voor landelijk belangrijke diersoorten zoals de otter.
De aanleg van de natte as wordt nadrukkelijk gekoppeld aan de behoefte voor waterbergingsmogelijkheden.

Natuur en waterberging

In extreem natte periodes kunnen de natuurgebieden wat betreft water losgekoppeld worden van de omgeving en hun eigen water vasthouden. Hierdoor is de gemaalcapaciteit volledig in te zetten voor de landbouwgebieden. Het vasthouden van water in natuurgebieden past in het oorspronkelijke natuurlijke seizoenspatroon (wateroverlast in de winter) en is uitstekend te combineren met de Zeeuwse natuurdoelen en de bijbehorende natuurontwikkeling. Dit is veel minder het geval met het bergen van gebiedsvreemd en veelal voedselrijk landbouwwater in natuurgebieden.

Vasthouden, bergen, afvoeren

Vasthouden, bergen en afvoeren komt in de praktijk neer op een, tussen provincie en waterschappen over een te komen, mix van maatregelen in de volgorde:

  • Vasthouden van het eigen water in daarvoor geschikte natuurgebieden
  • Benutten van bestaande berging, door in bepaalde gevallen een functiewijziging van landbouw door te voeren naar (natte) natuur.
  • Meer berging in combinatie met natuurvriendelijke oevers, natte ecologische verbindingszones en de robuuste verbindingszone (natte as).
  • Actieve herinrichting (grasland) waar goede bergingsmogelijkheden zijn.
  • Technische maatregelen zoals de vergroting van de afvoercapaciteit.

Watertoets

Bij ruimtelijke plannen is het verplicht om de wateropgave voor dat gebied erbij te betrekken. Dit gebeurd door middel van de watertoets. De watertoets is wettelijk verplicht voor streekplannen, streekplanuitwerkingen, regionale en gemeentelijke structuurplannen, bestemmingsplannen en vrijstellingen op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. In het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (BRO) is aangegeven dat in de toelichting bij genoemde plannen en besluiten een waterparagraaf moet zijn opgenomen.
Specifieke Zeeuwse aspecten voor de watertoets, afspraken en verwijzingen naar uitgebreidere informatie, zijn opgenomen in de Zeeuwse Handreiking. Als richtlijn wordt in Zeeland gerekend met een bergingsbehoefte van 75 mm in stedelijk gebied. In een gemiddelde situatie dient dan 6 % van het plangebied te worden gereserveerd voor open waterberging.