Verdroging

In de afgelopen vijftig jaar is de grondwaterstand in Nederland op vele plaatsen gedaald met enkele decimeters tot zelfs een meter. De landbouw draagt bij aan grondwaterstandsverlaging door ontwatering en drainage van landbouwpercelen. Hierdoor daalt ook de grondwaterstand in nabijgelegen natuurgebieden. Verder is verdroging ook het gevolg van onttrekking van grondwater voor bijvoorbeeld drinkwater, koelwater en besproeiing van gewassen. Dit alles leidt tot verdroging van de bodem. Voor veel planten, die van een hoog waterpeil afhankelijk zijn, heeft dit nadelige gevolgen.

Het Rijk gebruikt de volgende definitie van verdroging: 'Een natuurgebied wordt als verdroogd aangemerkt als de hoeveelheid beschikbaar grondwater van de juiste kwaliteit onvoldoende is om de natuurwaarden te garanderen. Een gebied wordt ook als verdroogd aangemerkt als ter compensatie van een te lage grondwaterstand of een te geringe kweldruk water van een andere, gebiedsvreemde kwaliteit moet worden aangevoerd'.
Volgens deze definitie is verdroging dus gekoppeld aan de functie natuur. Bij landbouw wordt bij een tekort aan water, met daardoor schade aan landbouwgewassen, gesproken van droogteschade.

Verdroging in Zeeland

Verdroging speelt in veel natuurgebieden in de provincie Zeeland. Verdroging komt bijvoorbeeld voor op de kop van Schouwen, de Manteling op Walcheren, de Yerseke en Kapelse Moer en delen van het Westerscheldegebied en Saeftinge.

Oorzaken van verdroging

Door het grote aantal relatief kleine natuurgebieden in Zeeland is de ontwatering van (omliggende) landbouwgebieden een belangrijke oorzaak van verdroging.
Verdroging kan ook optreden in de nabijheid van steden en grote kernen. Daar is de bodem al lange tijd voor een groot deel afgedekt door bebouwing, tegels, beton en asfalt. Het gevolg is dat deze bodems dikwijls uitgedroogd zijn geraakt omdat het regenwater de bodem slecht kan bereiken. Het regenwater wordt over het algemeen via afvoersystemen snel afgevoerd naar sloten, kanalen en de zee. Daling van de grondwaterstand is het gevolg.

Ambities en doelen

De provincie Zeeland stelt in het Provinciaal Omgevingsplan 2006-2012 dat niet-verdroogde natuurgebieden niet mogen verdrogen. Verder wil de provincie verdroogde natuurgebieden herstellen. De doelstelling is dat 10% van de in 1994 vastgestelde verdroogde natuurgebieden in 2012 volledig hersteld moet zijn. Daarnaast mogen nieuwe natuurgebieden niet verdroogd opgeleverd worden. In 2005 is door de landelijke Taskforce Verdroging geadviseerd om de verdrogingsbestrijding in natuurgebieden te concentreren op een aantal zogenaamde TOP-gebieden en om in 2015 die gebieden wat betreft waterhuishouding op orde te hebben. De TOP-gebieden zijn geselecteerd op basis van een aantal criteria: status Natura 2000, omvang van gebied, mate van verdrogingsgevoelige natuurwaarde van het gebied en/of een (nog resterende) opgave op gebied van verdroging.

Beleid in praktijk

Het overheidsbeleid is gericht op bescherming en herstel van de natuur. Dit gebeurt door natuurherstelprojecten te combineren met verhoging van de grondwaterstand. De provincie pakt de verdroging in dertig natuurgebieden met voorrang aan. Deze gebieden beslaan gezamenlijk een oppervlakte van 9.336 ha. De helft van dit areaal is verdroogd. De uitvoering van deze natuurprojecten ligt bij het waterschap en de natuurbeheerders.

Maatregelen om verdroging aan te pakken zijn onder meer:

  • verhoging van waterpeilen
  • stoppen of verminderen van een grondwaterwinning
  • tegengaan van drainage
  • inzetten op agrarisch natuurbeheer met een vergoeding voor de agrariër als tegenprestatie voor geleverde inspanningen.