Bodemverontreiniging door puntbronnen

Er is sprake van bodemverontreiniging als stoffen of materialen in de bodem of het grondwater terecht zijn gekomen die schadelijk zijn voor de mens, plant en/of dier. Veel bodemverontreinigingen zijn ontstaan door wat mensen in het verleden op een bepaalde plek/locatie/punt hebben gedaan. Deze verontreinigingen noemen we dan ook puntbronverontreinigingen. Bekende voorbeelden zijn verontreinigingen met brandstoffen op plaatsen waar (lekkende) brandstoftanks liggen of hebben gelegen, verontreinigingen met schoonmaakmiddelen door chemische wasserijen en verontreinigingen met polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) op plaatsen waar steenkolen werden gebruikt. Dikwijls werd (vaak onbewust) onzorgvuldig omgegaan met stoffen of vond legaal of illegaal storten van bedrijfs- of huishoudelijk afval plaats. De aandacht voor bodemverontreiniging ontstond in 1980 toen een voormalige stortplaats onder een woonwijk in Lekkerkerk (Zuid-Holland) werd ontdekt. Dit was het begin van een grootscheepse bodemsaneringsoperatie in Nederland.

Bodemverontreiniging in Zeeland

Vanaf 1980 zijn er meerdere inventarisaties uitgevoerd naar de (mogelijk) verontreinigde plekken in Zeeland. Omdat er steeds meer inzicht en kennis ontstond over bodemverontreiniging groeide ook de lijst met (mogelijk) verontreinigde plekken. In 2002 startte het landelijk project "Landsdekkend Beeld Bodemverontreiniging" (LDB). Doel was om alle (mogelijk) verontreinigde plekken, groot en klein, heel vies tot minder vies in beeld te krijgen. In Zeeland werd dit project samen door de provincie en de gemeenten uitgevoerd. Hinderwet- en milieuvergunningen, Kamer van Koophandel inschrijvingen, inventarisaties van ondergrondse brandstoftanks, rapporten van uitgevoerde bodemonderzoeken en saneringen werden doorgenomen. Resultaat was een Zeeuwse "werkvoorraad" van 9000 plekken. In de afgelopen jaren zijn in opdracht van particulieren, bedrijven en met name overheden op heel veel van deze plekken historische bodemonderzoeken, veld- en laboratoriumonderzoeken en bodemsaneringen uitgevoerd. Op deze manier wordt de werkvoorrad systematisch aangepakt en daardoor ook steeds kleiner.
Binnen deze werkvoorraad bevinden zich ook verontreinigingen die (mogelijk) onaanvaardbare risico's voor volksgezondheid, het grondwater en/of het ecosysteem veroorzaken. Deze verontreinigingen moeten met voorrang in beeld worden gebracht en voor 2015 worden gesaneerd. Deze verontreinigingen worden de spoedlocaties genoemd.
Onderdeel van de werkvoorraad zijn ook 287 voormalige stortplaatsen.

Omgaan met bodemverontreiniging

Waar bodemverontreiniging aanwezig is kunnen gebruiksbeperkingen gelden. Zo kan de bodem niet geschikt zijn om er op te wonen, om er kinderen te laten spelen of om er een moestuintje te hebben. Wanneer dat gebruik toch wenselijk is dan zal een bodemsanering moeten worden uitgevoerd.

Tot het midden van de jaren negentig stond bodemsanering synoniem voor het volledig ontgraven en wegnemen van verontreinigingen. Vanwege financiële maar vooral ook vanwege nuchtere pragmatische redenen vond eind jaren negentig een omslag plaats en kwam het wegnemen van de risico's centraal te staan. Hierdoor is het dikwijls niet meer nodig om een bodemverontreiniging helemaal weg te halen. Ontgraven is dan ook niet meer de enige saneringstechniek. Afdekken met schone grond, verplaatsen (herschikken grond) en in-situ saneringen (verwijderen van verontreiniging door het in de grond brengen van bijvoorbeeld bacteriën) zijn geaccepteerde saneringstechnieken.

Bodemsaneringen zijn over het algemeen kostbaar. De tijd dat bodemsaneringen voor het grootste deel door de overheid werden betaald is voorbij. De veroorzaker, eigenaar en/of initiatiefnemer is financieel verantwoordelijk. Vanuit efficiëntie en kostenoverwegingen kan voor het uitvoeren van een bodemsanering daarom het beste aangesloten worden bij een moment dat op een verontreinigd terrein ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt. Denk bijvoorbeeld aan nieuwbouw, functiewijziging van een locatie, projectontwikkeling of herstructurering van een gebied.

Ambities en doelen

Wat betreft bodemverontreinigingen staan in het provinciaal Omgevingsplan 2012-2018 de volgende belangrijke doelstellingen:

In 2015 moeten alle spoedlocaties (locaties met onaanvaardbare risico's voor volksgezondheid, grondwater en/of ecosysteem) gesaneerd dan wel beheersbaar zijn;
In 2030 moeten alle overige ernstige verontreinigde locaties gesaneerd dan wel beheersbaar zijn. Initiatief daarvoor ligt bij eigenaar of planontwikkelaar.

Deze doelstellingen zijn in 2009 extra bekrachtigd toen het rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen het 'Convenant Bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties ' ondertekend hebben.
Het bodemsaneringsbeleid is zowel gericht op het voorkomen van nieuwe bodemverontreinigingen als op het saneren/verwijderen van bodemverontreinigingen die in het verleden zijn ontstaan. Een belangrijk jaar daarbij is 1987. In dat jaar trad de Interim Wet bodemsanering in werking (nu de Wet bodembescherming). Verontreinigingen die voor 1987 zijn ontstaan heten historische verontreinigingen. Verontreinigingen ontstaan na 1987 noemen we nieuwe verontreinigingen. Deze moeten volgens de wet door de veroorzaker helemaal worden verwijderd (zorgplichtartikel uit de Wet bodembescherming).

Praktische invulling van het beleid

Bij bodemverontreiniging spelen de gemeenten en de provincie een belangrijke rol. De gemeenten voeren zelf veel bodemonderzoeken uit en voeren bij het verlenen van diverse vergunningen vaak een bodemtoets uit. De provincie heeft vooral een rol bij het saneren van bodemverontreinigingen.

  • Bodemtoets: Bij alle bouwplannen voor huizen, wegen, kantoren of fabrieken en bij bestemmingsplannen is een bodemtoets onderdeel van de vergunningsprocedure. Uit de bodemtoets blijkt of de bodem geschikt is om te bouwen of geschikt is voor een bepaalde bestemming: is de bodem stevig genoeg, is de bodem niet verontreinigd? Deze bodemtoets wordt in de meeste gevallen door de gemeente uitgevoerd. Als de gemeente ziet dat de bodem zo verontreinigd is dat er waarschijnlijk gesaneerd moet worden wordt de provincie erbij betrokken.
  • Bodemsanering: Bij bodemsaneringen is de provincie bevoegd gezag. Het eerste wat de provincie doet is het beoordelen of een verontreiniging wel of niet gesaneerd moet worden. Dit noemen we "het vaststellen of er wel of geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging". Ernstige gevallen moeten gesaneerd worden. Vervolgens kijkt de provincie hoe snel de sanering moet worden uitgevoerd. Dit wordt bepaald door te kijken naar het wel of niet aanwezig zijn van "onaanvaardbare risico's voor mens, grondwater of ecosysteem". Als onaanvaardbare risico's aanwezig zijn spreken we van een "spoedeisend ernstig geval van bodemverontreiniging". Deze moeten voor 2015 gesaneerd worden. Voordat gesaneerd kan worden moet de provincie eerste goedkeuring geven aan de manier waarop gesaneerd gaat worden. Bij grotere en/of complexe maatwerk saneringen moet daarvoor een saneringsplan bij de provincie worden ingediend. Wanneer de provincie zich in de aanpak kan vinden wordt het saneringsplan goedgekeurd (beschikking door Gedeputeerde Staten). Bij kleinere en/of rechttoe rechtaan standaard saneringen moet een eenvoudige melding (BUS-melding) bij de provincie worden ingediend.
    Tijdens de sanering zal de provincie volgen of de werkzaamheden volgens de opzet worden uitgevoerd (handhaving). Na afloop van de sanering moet een evaluatierapport over de sanering bij de provincie worden ingediend. Na goedkeuring van dit rapport (beschikking door Gedeputeerde Staten) is de sanering officieel klaar.
  • Nazorg: De provincie kijkt met behulp van het evaluatierapport van een sanering of er na de sanering nog nazorg moet plaatsvinden. Als dat zo is spreken we van "nazorgverplichtingen". Een voorbeeld van een nazorgverplichting is het uitvoeren van periodieke metingen om te controleren of eventueel achtergebleven verontreinigingen zich niet alsnog naar het grondwater verplaatsen. Het is een taak van de provincie om te controleren dat de nazorgverplichtingen worden nagekomen.
  • Registratie: Alle gegevens over bodemverontreiniging en bodemsaneringen worden door de provincie en de gemeenten in hun bodeminformatiesystemen verwerkt. Deze systemen kunnen met elkaar communiceren. De provincie registreert met name de gegevens over de ernstige verontreinigingen en de saneringen. De gemeenten registreren alle overige bodemverontreinigingsgegevens. Daarnaast zorgt de provincie dat de gegevens via het Kadaster zijn te raadplegen. Dit laatste is wettelijk verplicht door de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (Wkpb).
  • Kwaliteitseisen: Bij de uitvoering van bodemonderzoeken en bodemsaneringen gelden strenge kwaliteitseisen waaraan adviesbureaus en aannemers moeten voldoen. Deze kwaliteitseisen zijn landelijk vastgelegd in de Kwalibo-regeling.
  • Vragen over bodemverontreiniging: Bij vragen over het al of niet voorkomen van bodemverontreiniging kan het beste contact opgenomen worden met de gemeente.